Faithlife Sermons

Blus de Geest niet uit

Sermon  •  Submitted
0 ratings
· 1 view

In deze preek waarschuw ik met Paulus dat we de Geest in ons leven en in de kerk niet moeten uitblussen door hem te negeren. Wie leert danken voor wat God geeft, leert ook groot van Hem te verwachten. Wie ziet wat Jezus je geeft: Gods vaderlijke zorg, die heeft reden altijd te verblijden.

Notes & Transcripts
Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
. Zijn littekens bewijzen dat God oog heeft voor het drama van de mensen, maar dat Hij in Hem ook genadig heeft gedragen alle toorn en woede van God. We mogen met zijn ogen naar elkaar omzien.
Vervolgens liep ik vast in de preek na Pasen. De preek over de kerk als gemeenschap van heiligen. Toen ik me erbij neerlegde dat ik als thema had gekozen: houd het vuur van Gods liefde brandend. Ik preekte toen dat dit begint bij je hart, en dat dit vervolgens uitwerkt naar de ander hier in de kerk. Tegelijkertijd merkte ik, juist in mijn eigen hart, dat ik die opdracht van Paulus niet kan waarmaken. Nee, ik moet met de ogen van Jezus gaan geloven dat de Geest ons een heeft gemaakt en dat ik samenleef met allemaal mede-zondaars en dat in de omgang met jou mijn eigen zonde ook weer wordt blootgelegd. Jezus leeft onder zondige mensen die toch trouw elkaar blijven vasthouden. Alleen door Jezus kan ik het vuur van Gods liefde brandend houden.
Een spannende oproep van Paulus: doof de Geest niet uit. Wat moet ik daar onder verstaan? God schenkt ons zijn eigen Geest waarmee God zich in Jezus Naam hoogstpersoonlijk verbindt aan ons ieder persoonlijk en aan elkaar als gemeente. Om de Heidelbergse Catechismus na te spreken: de Zoon van God heeft de kerk vanaf het begin van de Schepping aan verzameld en vergaderd. De kerk begint niet met de eredienst op zondag, met samenkomsten. Al is dat een wezenlijk onderdeel natuurlijk van gemeente-zijn. Maar de kerk begint met de eenheid die de Geest ons geeft.
En maandag, als donderslag bij heldere hemel, viel mij ineens te binnen: kunnen wij dat vuur van Gods liefde ook doven? En zo ja hoe dan? En wat betekent dat voor ons? En ik kwam uit bij , waar Paulus waarschuwt: blus de Geest niet uit. Ik vond dat altijd een raadselachtige uitspraak, maar totdat ik het in verband bracht met de verzen ervoor en erna, waar Paulus opdraagt om altijd verheugd te zijn, om zonder ophouden te bidden en in alles te danken, de profetie niet te verachten en het goede te blijven zoeken en alles wat naar het kwaad neigt te mijden. En ik kon niet anders gemeente dan op de preek van afgelopen week voort te borduren met deze oproep van Paulus: blus de Geest niet uit.
Hoe kan dan uitgerekend in de kerk, de plek waar God als het goed is zijn woning maakt, Gods Geest uitgeblust worden? Daar wil ik vanmiddag bij stil staan.
Thema is:
Hoe zou de gemeente van God het vuur van Gods liefde kunnen doven?
Blus de Geest niet uit!
- In je leven
- In de kerk

In je persoonlijke leven

1 Tessalonicenzen 5:19 NBV
Doof de Geest niet uit
De kanttekeningen van de Statenvertaling gooien het op het verachten van je eigen gaven of die van een ander, maar Calvijn trekt het breder en zegt over vers 19 het volgende: Wij zijn door Gods Geest verlicht, zie toe dat uw licht niet verloren gaat door uw ondankbaarheid. Uit ondankbaarheid kunnen we de Geest bedroeven. Van Houwelingen zegt hierover dat je de Geest kunt negeren, zijn werk kunt veronachtzamen. Je gelooft nog wel, maar je maakt een uitgebluste indruk.
Wat herken ik die woorden van Van Houwelingen. Wat voel ik me soms moe en uitgeblust. Ik ben helemaal niet altijd verblijd — nee ook niet in de Heer. Ik bid vaak niet onophoudelijk en ik dank niet in alles. Mijn hart is vaak vol van neerslachtige gedachten, van klachten en ontevredenheid, oordelen over mijzelf en anderen. En eigenlijk, realiseerde ik mij afgelopen week, maak ik God daarmee kleiner, en maak ik mijzelf en mijn problemen en mijn kijk op de zaken groter. Het is een soort neerwaartse spiraal waarin je belandt en waar je steeds minder oog krijgt voor Gods aanwezigheid, voor zijn Geest in jouw leven. Je blust de Geest uit omdat je Hem niet betrekt in je dagelijkse leven. Je blust de Geest uit door enerzijds te piekeren over hoe het altijd beter kan, en anderzijds niet te danken voor wat je nu al hebt ontvangen.
Nou, en wat treft mij. Ik voel me vaak zo uitgeblust. Ik ben helemaal niet altijd verblijd – nee ook niet in de Heer. Ik bid helemaal niet zo trouw, en ik dank helemaal niet in alles. Mijn hart zit vaak vol tobbende gedachten en zorgen en verdriet. Mijn hart vult zich vaak met eigen conclusies, neerslachtige momenten, oordelen over anderen. Door zo’n in mijzelf gekeerde houding worden problemen groter, worden andere mensen groter, maar God kleiner. Het is een soort neerwaartse spiraal waarin je belandt en waar je steeds minder oog krijgt voor Gods aanwezigheid, voor zijn Geest in jouw leven. De aanwezigheid van God die tegen jou in Jezus naam zegt: jij bent mijn geliefde zoon of dochter, in jou vind ik vreugde. Die vreugde die God in jou heeft waardoor je merkt: ik ben een gave. God heeft mij gemaakt en gegeven aan de mensen om mij heen. Ik ben bedoeld.
Misschien herken jij je hier niet in. Misschien werkt het leven voor je. Heb je niet heel hooggespannen verwachtingen maar werk je gewoon hard. Ook dan kan je de Geest aan de kant schuiven. Als je namelijk vindt dat het leven werkt, en dat je er ook wel heel hard voor werkt, kan zomaar God naar de zijlijn van je leven worden geschoven. Je dankt dan niet in de eerste plaats dat God jou alles heeft geschonken waar je tevreden over bent. Alleen al het feit dat God je hier geboren deed worden is een teken van Gods werk en niet jouw werk. En eigenlijk is de rest een toevoeging aan je geboorte. Als je onverschillig bent ga je pas bidden als de nood er is. Nood leert bidden zegt men wel eens. Maar als alles zijn gangetje gaat doof je de Geest uit omdat je niet leeft vanuit het ontvangen — ik heb alles gekregen — en het verwachten — als de Heer het huis niet bouwt vergeefs zwoegen de bouwers.
Misschien denk je: dat pessimisme komt door je idealisme en je principiële levenshouding. Oké maar het andere uiterste is onverschilligheid. Als je onverschillig bent interesseert je de toestand in de wereld helemaal niet. Je vind het allemaal wel prima. Jouw leven werkt wel en hoe een ander het vorm geeft is zijn verantwoordelijkheid. Dat jouw leven goed gaat vindt je een eigen verdienste. ‘ik heb er hard voor gewerkt’, en je doet net alsof jouw leven helemaal zo is gegaan omdat jij het zo in de hand hebt. En het lot van anderen, maar ook het feit dat jij zondig bent doet je niet zoveel. In dat geval rust alles ook op eigen schouders, en betrek je Gods Geest in zijn geheel niet in je leven. Want het leven werkt.
Oké maar het andere uiterste is onverschilligheid. Als je onverschillig bent interesseert je de toestand in de wereld helemaal niet. Je vind het allemaal wel prima. Jouw leven werkt wel en hoe een ander het vorm geeft is zijn verantwoordelijkheid. Dat jouw leven goed gaat vindt je een eigen verdienste. ‘ik heb er hard voor gewerkt’, en je doet net alsof jouw leven helemaal zo is gegaan omdat jij het zo in de hand hebt. En het lot van anderen, maar ook het feit dat jij zondig bent doet je niet zoveel. In dat geval rust alles ook op eigen schouders, en betrek je Gods Geest in zijn geheel niet in je leven. Want het leven werkt.
Of je nu een tobber bent die vastloopt in idealen, of onverschillig omdat het leven voor je werkt, of ergens daartussenin, we kunnen niet zonder het werk van de Geest. In een wereld die zo vervreemd is van haar Oorsprong en Schepper, kan ik niet zonder het evangelie van Pasen. Pasen het feest van Jezus opstanding, het feest dat Jezus wonden littekens werden, leren mijn twee dingen namelijk.
Maar wat is het evangelie van Jezus Christus? Dat is het evangelie waarover ik preekte: in een wereld vol wanhoop en vol gebrokenheid, vol onbeantwoorde vragen en twijfels, daar is Jezus gekomen om ons lijden te dragen. Jezus kwam om Gods liefde aan ons te schenken, terwijl wij hem nooit zo hebben liefgehad. God kwam om ons als kinderen te zien. God herstelt de menselijkheid: je bent mens, ik heb je gemaakt, ik heb je bedoeld. Je bent mens. Je overziet het leven niet, maar ik, God, wel. Ik heb mijzelf aan je beloofd zodat je vol goede moed mag zijn onder alle omstandigheden. Ik geef je een vreugde die veel meer is dan de vreugde van targets, winst en doelen. Het is de vreugde van het evangelie dat in Jezus je hele leven geborgen is. De vreugde dat je leven meer is dan het kwetsbare hier en nu. Het is de vreugde dat je grootste opdracht is om te delen van de liefde van God.
Eén Jezus heeft wonden in zijn handen om wat wij hebben gedaan. De wereld loopt niet vanzelf. Ja er zijn natuurwetten, maar zo wetteloos zijn de mensenkinderen. Het is kortweg een drama in de wereld. God heeft echter zijn hand niet teruggetrokken maar kwam door zijn Zoon midden in het drama van de mensheid en leed er zelf aan.
Dat is het evangelie waarover ik preekte: in een wereld vol wanhoop en vol gebrokenheid, vol onbeantwoorde vragen en twijfels, daar is Jezus gekomen om ons lijden te dragen. Jezus kwam om Gods liefde aan ons te schenken, terwijl wij hem nooit zo hebben liefgehad. God kwam om ons als kinderen te zien. God herstelt de menselijkheid: je bent mens, ik heb je gemaakt als een wezen dat geeft om goed en kwaad. Je bent mens. Je overziet het leven niet, maar ik, God, wel. Ik heb mijzelf aan je beloofd zodat je vol goede moed mag zijn onder alle omstandigheden.
Dat is het evangelie waarover ik preekte: in een wereld vol wanhoop en vol gebrokenheid, vol onbeantwoorde vragen en twijfels, daar is Jezus gekomen om ons lijden te dragen. Jezus kwam om Gods liefde aan ons te schenken, terwijl wij hem nooit zo hebben liefgehad. God kwam om ons als kinderen te zien. God herstelt de menselijkheid: je bent mens, ik heb je gemaakt als een wezen dat geeft om goed en kwaad. Je bent mens. Je overziet het leven niet, maar ik, God, wel. Ik heb mijzelf aan je beloofd zodat je vol goede moed mag zijn onder alle omstandigheden.
Kijk ik op Jezus dan weet ik:
Als ik dan bij mijzelf te rade ga. Dan moet ik beschaamd zeggen: ik doof de Geest uit, ik duw Hem van mij weg, als ik niet leer danken voor wat de Geest mij al heeft gegeven. Allereerst in Christus. Er is geen garantie zo sterk als de liefdevolle hand van God. Heer, dank u wel, dat u mij zondaar hebt vergeven. Dank u dat u mijn hart niet onberoerd laat. Dank u dat u mijn leven hebt geleid. En zodra ik begin met danken, kan ik niet meer stoppen: dank voor de adem, voor vrouw, kinderen, gezondheid, voor liefde, voor vrienden, voor de kerk.
En twee: Jezus heeft geheelde wonden. Zijn littekens bewijzen: God blijft niet bij wat de wereld is maar gaat met ons op weg. In Christus komt er weer een volk van God, de kerk, die wil leven naar Gods wil in liefde met Hem en de ander. Hij is het die werkt door deze wereld. Hij is de reden waarom er hoop is in een hopeloze wereld. Hij is degene die ons leven draagt, beschermt en hervormt. Jezus wil dat ik vanuit zijn oogpunt leer kijken naar kerk en wereld.
En dat werkt twee dingen uit: 1. Bid onophoudelijk, want alleen Jezus kan zondige mensen vernieuwen. 2. Dank onophoudelijk want ik heb heel mijn leven, mijn hebben en houden aan Hem te danken. Op die grond is er een blijvende blijdschap: want Hij bewaard alle dingen dat niets zonder zijn wil zal gebeuren.
Blus de Geest niet uit. Dat gebeurt dus als ik danken en bidden loslaat, dan wordt een mens zuur. Dan komt er gemopper, geklaag, verwijten. Dan komen de oordelen. Maar wie dankt, die komt niet met eisen maar dankbaar en ontvangend. De ogen gaan open voor wat de Heere al wel heeft gegeven in mijn leven. Een verlangen groeit om nog meer van die grote God te verwachten. Dank u Heer: u heeft mijn hele leven, mijn willen en werken, in uw hand. Leer mij meer en meer van u te verwachten.
Geliefden, uit eigen ervaring weet ik dat die vreugde in de Heer door danken versterkt wordt. Toch weet ik ook dat dit een constant gevecht is. Ik kan mijzelf heel diep naar beneden trekken. Door te focussen op wat niet goed gaat, door te focussen wat een ander niet goed doet, door mij te richten op onzekerheden in de wereld, door verslagen te raken van zoveel leed in de wereld. Het zijn dorre momenten in mijn leven. Ik prijs God niet meer. Ik dank niet meer. Maar het meest domme wat ik dan laat is aanhoudend gebed. Laat het vuur van Gods liefde branden: juist als de ellende komt. Juist als je het niet meer ziet zitten.
Spreuken verdiept ons Ken de Heer in al je wegen zegt Spreuken. Ja Heer: wandel met mij ook als ik door diepe dalen heen ga. Juist dan wanneer de nood hoog is, dan weet ik: bid onophoudelijk. Dan deel je de last van je leven met de God die jouw leven zo in en in liefheeft.
Nog een spade dieper staat het in Spreuken: Ken de Heer in al je wegen. Ja Heer: wandel met mij ook als ik door diepe dalen heen ga. Juist dan wanneer de nood hoog is, dan weet ik: bid onophoudelijk. Dan deel je de last van je leven met de God die jouw leven zo in en in liefheeft. Daarom zegt Paulus: bid onophoudelijk, dank in alles, wees steeds verblijd. Zo leren leven gebeurt niet van de een op de andere dag. Het is iets dat ik dag in dag uit leer en ontdek: om in alle omstandigheden één ding te weten: mijn leven is eigendom van Jezus die mij onder alle omstandigheden vast houdt.
Dus dat is het eerste. Gods Geest uitblussen doen we als we Hem niet meer betrekken in ons leven. Door niet meer te zien dat je hele leven een genadegave is van God. Jezus is gestorven om jouw gebroken leven te bergen in Gods hand. Jezus is opgestaan om jouw leven te verzekeren in een onzekere tijd.
Bidden en danken, dat dooft de Geest niet uit, maar betrekt hem op alle terreinen van uw leven.
Mijn twee vragen zijn:
1. Waar kan u vandaag God voor danken?
2. Waar mag ik God om bidden?

In de kerk

Het tweede is dat ik het uitblussen van de Geest wil betrekken op de kerk. Kan juist de plek waar God woning maakt, in onze mensenharten, de Geest worden gedoofd? Ik zei al: dat er al een kerk is, is al werk van de Geest. En dat is ook zo! Maar als we dat niet erkennen. Als we niet belijden met hart en mond: deze onvolmaakte kerk met onvolmaakte mensen is Gods werk, dan staan we al snel op eigen houtje kerk te zijn. En dan is er geen ruimte meer voor Gods kritische stem – de profetie, Gods nu-woord – maar ook geen ruimte om meer om open ogen te hebben voor Gods werk, om maar over een verwachtend gebed te zwijgen, of het gewetensvol onderzoeken welke weg goed is en welke kwaad.
Kerk zijn is niet altijd makkelijk. Jullie weten hoe ik daar soms mee kan worstelen. Tegelijk is hoe je naar de kerk kijkt een voluit geestelijke zaak. Kijk ik vanuit mijn oogpunt, of kan ik met de ogen van Jezus naar de gemeente kijken en naar mijn broers en zussen. Kan ik ook, sterker nog, God zien werken in ons midden? Benoem ik dat ook vaak genoeg?
Ik vroeg mij af of het ook mogelijk is dat wij in de kerk een levenshouding creëren waar de dat er al een kerk is, is al werk van de Geest. En dat is ook zo! Maar als we dat niet erkennen. Als we niet belijden met hart en mond: deze onvolmaakte kerk met onvolmaakte mensen is Gods werk, dan staan we al snel op eigen houtje kerk te zijn. En dan is er geen ruimte meer voor Gods kritische stem – de profetie, Gods nu-woord – maar ook geen ruimte om meer om open ogen te hebben voor Gods werk, om maar over een verwachtend gebed te zwijgen, of het gewetensvol onderzoeken welke weg goed is en welke kwaad.
Oog hebben voor Gods werk. De apostelen hameren er vaak op. Maar, als we daar geen oog meer voor hebben. Als we er niet eens meer over praten. Als ons hart verduisterd door boosheid, kritiek, of onverschilligheid dan kan het zo maar zijn dat we Gods Geest bedroeven en zijn liefde blussen. Als we niet meer danken om wat we hebben gekregen, als dankbaarheid niet de basishouding is hoe we hier binnenkomen dan kan het zo maar zijn dat we God wegduwen in de kerk. Mopperen, klagen en morren zijn subtielere vormen van boosheid. Het verwijdert mensen van elkaar. Het is ten diepste ongehoorzaamheid naar God omdat je je niet wil voegen naar Zijn wil. Mopperen haalt God naar beneden. Want God weet veel beter dan ik wat goed voor me is. Als ik geen oog heb voor het feit dat Hij er allang is. Als ik niet leer danken voor al zijn gaven die ik reeds ontving. Dan blus ik Zijn Geest uit.
Maar, als we daar geen oog meer voor hebben. Als ons hart verduisterd door boosheid, kritiek, of onverschilligheid dan kan het zo maar zijn dat we Gods Geest bedroeven en zijn liefde blussen. Als we niet meer danken om wat we hebben gekregen, als dankbaarheid niet de basishouding is hoe we hier binnenkomen dan kan het zo maar zijn dat we God wegduwen in de kerk.
Dat geldt voor mij en jou net zo. Als je alleen maar kritiek krijgt dan dooft je licht. Dan zie je het niet meer zitten. Dan wordt je moe. Dan durf je op een gegeven moment niet meer jezelf te geven. Dat is wat Paulus ook bedoelt met de verzen 12 en 13. Door je leiders lief te hebben en ook te benoemen wat er goed gaat vuur je hen aan. Als die waardering wegblijft dooft het licht hen in de ogen. Gods liefde is niet wezenlijk anders. Wel is Gods liefde zo groot dat Hij steeds opnieuw begint, terwijl er niemand meer reden heeft dan Hij om verbitterd te zijn om zijn mopperende mensenkinderen.
1 Tessalonicenzen 5:12–13 NBV
Wij vragen u, broeders en zusters, diegenen onder u te erkennen die zich op gezag van de Heer ervoor inzetten u te leiden en terecht te wijzen. U moet hun om hun werk veel liefde en respect betonen. Leef in vrede met elkaar.
Dat is wat Paulus ook bedoelt met de verzen 12 en 13. Door je leiders lief te hebben en ook te benoemen wat er goed gaat vuur je hen aan. Als die waardering wegblijft dooft het licht hen in de ogen. Gods liefde is niet wezenlijk anders. Wel is Gods liefde zo groot dat Hij steeds opnieuw begint, terwijl er niemand meer reden heeft dan Hij om verbitterd te zijn om zijn mopperende mensenkinderen.
Door je leiders lief te hebben en ook te benoemen wat er goed gaat vuur je hen aan. Als die waardering wegblijft dooft het licht hen in de ogen. Gods liefde is niet wezenlijk anders. Wel is Gods liefde zo groot dat Hij steeds opnieuw begint, terwijl er niemand meer reden heeft dan Hij om verbitterd te zijn om zijn mopperende mensenkinderen.
De Geest blus je uit door geen oog te hebben voor wat Hij al gegeven heeft, en Hem niet te betrekken in alles waar je je zorgen over kan maken. Hem blus je uit als je niet met geloofsogen kan kijken naar de gemeente. De Geest blus je uit als je niet meer met de ogen van Pasen kan kijken naar de kerk. De ogen van Pasen belichten zowel het zondige van de mensen, als de liefde van God die de zondaars liefheeft. De kerk waar de Geest leeft is de kerk waar we in Jezus Naam met elkaar willen omgaan. Zondig als we zijn, laten we de onderlinge liefde niet gaan. Hoe groot verwijdering ook kan groeien, we laten de trouw er niet onder lijden.
Als die twee lijnen bij elkaar willen komen dan betekent dat voor ons één ding: niet op jezelf bouwen, maar op de Heer vertrouwen. God begint al voor ik maar één stap heb gezet – je geboorte is daarvan het eerste bewijs. Zo is God al begonnen aan deze gemeente. De kerk is niet afhankelijk van jou, maar God wil jou genadig in Jezus veranderen opdat jij een gave wordt voor de ander.
God heeft ons aan elkaar verbonden. Dat is het eerste wapenfeit. Dank God daarvoor. Verheug u altijd in de Heer. Dat is geen goedkope peptalk. Nee, dat is wat ik in het eerste punt al noemde: ondanks alle gebrokenheid, ondanks dat mensen elkaar soms echt kunnen teleurstellen, ondanks dat we elkaar soms niet kunnen vasthouden heeft God zijn Geest, zijn nabijheid belooft in het midden van de gemeente.
Blus de Geest niet uit is dus de boodschap van Paulus. Soms ben je wel uitgeblust, net als ik. Soms ben je moe. Soms is de opeenstapeling van teleurstellingen, van gegroeid wantrouwen en ontheemd zijn – want de tijden veranderen zo verschrikkelijk snel – soms is die opeenstapeling zo groot dat je bijna niet meer kunt danken om de kerk of om de wereld, of om je leven. Dat doet zeer. Die pijn kan ons heel moe maken en teleurgesteld. Soms zie je het niet meer zitten en zou je het liefst alles achter je laten.
Ik hoop en bid dan, dat uw handen dan wel gevouwen zijn. De Geest lost voor ons niet alle problemen op. Het is ook niet zo dat hij van de een op de andere dag de gemeente verandert dat we nooit meer conflicten hebben. De Geest verandert wel ons hart. Opdat wij in die gemeente zelf meer en meer zien met de ogen van Jezus. De Geest geeft ons ook een onuitblusbare hoop dat Jezus regeert en Zijn kerk veilig leidt. Hij is niet alleen Heer van de bergen, Hij is ook Heer van de dalen en geleidt zijn kerk veilig naar die Dag, dat het vuur van Gods liefde nooit meert wordt verduisterd door ons kwaad.
Jezus heeft ons samengevoegd vandaag. Laat daarom het vuur van Gods liefde branden door oog te hebben voor wat Hij al heeft gegeven, en door meer en meer alles van Hem te verwachten.
Laat ons daarom in alles danken waar God ons gezegend heeft. Laat ons daarom bidden onder alle omstandigheden. Ken de Heer ook in alle wegen van ons kerk-zijn.
Dan denk je: maar Heer, als u mij kan veranderen. : Meer en meer ga ik verwachten van de Geest. Meer en meer wil ik Zijn werk in mijn leven zien.
Daarom deze vragen:
Als we straks in de miniwijken gaan praten over ons leven en de kerk. Dan wil ik vooral deze twee vragen bespreken:
1. Waar mogen we als gemeente samen voor danken?
2. Waar mogen we als gemeente samen voor bidden?
Related Media
Related Sermons