Faithlife Sermons

Blus de Geest niet uit

Sermon  •  Submitted
0 ratings
· 7 views

In deze preek waarschuw ik met Paulus dat we de Geest in ons leven en in de kerk niet moeten uitblussen door hem te negeren. Wie leert danken voor wat God geeft, leert ook groot van Hem te verwachten. Wie ziet wat Jezus je geeft: Gods vaderlijke zorg, die heeft reden altijd te verblijden.

Notes & Transcripts
Geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Een spannende oproep van Paulus: doof de Geest niet uit. Wat moet ik daar onder verstaan? God schenkt ons zijn eigen Geest waarmee God zich in Jezus Naam hoogstpersoonlijk verbindt aan ons ieder persoonlijk en aan elkaar als gemeente. Om de Heidelbergse Catechismus na te spreken: de Zoon van God heeft de kerk vanaf het begin van de Schepping aan verzameld en vergaderd. De kerk begint niet met de eredienst op zondag, met samenkomsten. Al is dat een wezenlijk onderdeel natuurlijk van gemeente-zijn. Maar de kerk begint met de eenheid die de Geest ons geeft.
Hoe kan dan uitgerekend in de kerk, de plek waar God als het goed is zijn woning maakt, Gods Geest uitgeblust worden? Daar wil ik vanmiddag bij stil staan.
Thema is:
Blus de Geest niet uit!
- In je leven
- In de kerk

In je persoonlijke leven

1 Tessalonicenzen 5:19 NBV
Doof de Geest niet uit
De kanttekeningen van de Statenvertaling gooien het op het verachten van je eigen gaven of die van een ander, maar Calvijn trekt het breder en zegt over vers 19 het volgende: Wij zijn door Gods Geest verlicht, zie toe dat uw licht niet verloren gaat door uw ondankbaarheid. Uit ondankbaarheid kunnen we de Geest bedroeven. Van Houwelingen zegt hierover dat je de Geest kunt negeren, zijn werk kunt veronachtzamen. Je gelooft nog wel, maar je maakt een uitgebluste indruk.
Wat herken ik die woorden van Van Houwelingen. Wat voel ik me soms moe en uitgeblust. Ik ben helemaal niet altijd verblijd — nee ook niet in de Heer. Ik bid vaak niet onophoudelijk en ik dank niet in alles. Mijn hart is vaak vol van neerslachtige gedachten, van klachten en ontevredenheid, oordelen over mijzelf en anderen. En eigenlijk, realiseerde ik mij afgelopen week, maak ik God daarmee kleiner, en maak ik mijzelf en mijn problemen en mijn kijk op de zaken groter. Het is een soort neerwaartse spiraal waarin je belandt en waar je steeds minder oog krijgt voor Gods aanwezigheid, voor zijn Geest in jouw leven. Je blust de Geest uit omdat je Hem niet betrekt in je dagelijkse leven. Je blust de Geest uit door enerzijds te piekeren over hoe het altijd beter kan, en anderzijds niet te danken voor wat je nu al hebt ontvangen.
Misschien herken jij je hier niet in. Misschien werkt het leven voor je. Heb je niet heel hooggespannen verwachtingen maar werk je gewoon hard. Ook dan kan je de Geest aan de kant schuiven. Als je namelijk vindt dat het leven werkt, en dat je er ook wel heel hard voor werkt, kan zomaar God naar de zijlijn van je leven worden geschoven. Je dankt dan niet in de eerste plaats dat God jou alles heeft geschonken waar je tevreden over bent. Alleen al het feit dat God je hier geboren deed worden is een teken van Gods werk en niet jouw werk. En eigenlijk is de rest een toevoeging aan je geboorte. Als je onverschillig bent ga je pas bidden als de nood er is. Nood leert bidden zegt men wel eens. Maar als alles zijn gangetje gaat doof je de Geest uit omdat je niet leeft vanuit het ontvangen — ik heb alles gekregen — en het verwachten — als de Heer het huis niet bouwt vergeefs zwoegen de bouwers.
Of je nu een tobber bent die vastloopt in idealen, of onverschillig omdat het leven voor je werkt, of ergens daartussenin, we kunnen niet zonder het werk van de Geest. In een wereld die zo vervreemd is van haar Oorsprong en Schepper, kan ik niet zonder het evangelie van Pasen. Pasen het feest van Jezus opstanding, het feest dat Jezus littekens, leren mij twee dingen, namelijk:
Jezus heeft wonden in zijn handen om wat wij hebben gedaan. De wereld loopt niet vanzelf. Ja er zijn natuurwetten, maar zo wetteloos zijn de mensenkinderen. Het is kortweg een drama in de wereld. God heeft echter zijn hand niet teruggetrokken maar kwam door zijn Zoon midden in het drama van de mensheid en leed er zelf aan.
Jezus heeft geheelde wonden. Zijn littekens bewijzen: God blijft niet bij wat de wereld is maar gaat met ons op weg. In Christus komt er weer een volk van God, de kerk, die wil leven naar Gods wil in liefde met Hem en de ander. Hij is het die werkt door deze wereld. Hij is de reden waarom er hoop is in een hopeloze wereld. Hij is degene die ons leven draagt, beschermt en hervormt. Jezus wil dat ik vanuit zijn oogpunt leer kijken naar kerk en wereld.
Kijken naar de wereld in geloof opziende naar Jezus betekent twee dingen: 1. Bid onophoudelijk, want alleen Jezus kan zondige mensen vernieuwen. 2. Dank onophoudelijk want ik heb heel mijn leven, mijn hebben en houden aan Hem te danken. Op die grond is er een blijvende blijdschap: want Hij bewaart alle dingen dat niets zonder zijn wil zal gebeuren.
Blus de Geest niet uit. Dat gebeurt dus als ik danken en bidden loslaat, dan wordt een mens zuur. Dan komt er gemopper, geklaag, verwijten. Dan komen de oordelen. Maar wie dankt, die komt niet met eisen maar dankbaar en ontvangend. De ogen gaan open voor wat de Heere al wel heeft gegeven in mijn leven. Een verlangen groeit om nog meer van die grote God te verwachten. Dank u Heer: u heeft mijn hele leven, mijn willen en werken, in uw hand. Leer mij meer en meer van u te verwachten. Ann Voskamp, schreef een boek over dankbaarheid. Zij zegt dat de dankbaarheid de basis is voor het christenleven. Van nature, in onze zondige staat zijn we ondankbaar. Ik ben nooit tevreden, altijd moet er een meer zijn. Ze noemt dat de oerzonde van het paradijs. Terwijl onze roeping bestaat uit dankbaarheid, zien dat we ontvangen dag in dag uit. Dankbaarheid voor elke dag. Of zoals de ondertitel luidt van het boek van Voskamp: Zoek het ware leven waar het te vinden is: vlak voor je neus.
Gebeurt dat vanzelf? Nee, je moet oefenen. Ik citeer uit het boek van Ann Voskamp, die op haar beurt Erasmus citeert:
“Een spijker wordt door een andere spijker uitgedreven; gewoontes kunnen worden overwonnen door gewoontes.”
Waar mijn zondige ik moppert, klaagt, steunt en kreunt, zeurt en bekritiseert. Daar geeft Christus de ware vreugde, de ware blijdschap van dankbaarheid. Ann begon met een danklijst. Elke dag dankte ze voor hele gewone dingen. Haar hart veranderde. Ze kwam God tegen in heel haar leven. Ze vuurde de Geest aan, als ze God leerde danken voor de schone lakens die ruiken naar de wind, voor de vage geur van vee en stro, een oude man op zoek naar een geschikte ansichtkaart, enzovoorts. Vanuit dankbaarheid ga je ook meer verwachten. Om een woord uit spreuken aan te halen: ken de Heer in al je wegen, en Hij maakt uw paden recht.
Bidden en danken, dat dooft de Geest niet uit, maar betrekt hem op alle terreinen van uw leven.

In de kerk

Het tweede is dat ik het uitblussen van de Geest wil betrekken op de kerk. Kan juist de plek waar God woning maakt, in onze mensenharten, de Geest worden gedoofd? Ik zei al: dat er al een kerk is, is al werk van de Geest. En dat is ook zo! Maar als we dat niet erkennen. Als we niet belijden met hart en mond: deze onvolmaakte kerk met onvolmaakte mensen is Gods werk, dan staan we al snel op eigen houtje kerk te zijn. En dan is er geen ruimte meer voor Gods kritische stem – de profetie, Gods nu-woord – maar ook geen ruimte om meer om open ogen te hebben voor Gods werk, om maar over een verwachtend gebed te zwijgen, of het gewetensvol onderzoeken welke weg goed is en welke kwaad.
Oog hebben voor Gods werk. De apostelen hameren er vaak op. Maar, als we daar geen oog meer voor hebben. Als we er niet eens meer over praten. Als ons hart verduisterd door boosheid, kritiek, of onverschilligheid dan kan het zo maar zijn dat we Gods Geest bedroeven en zijn liefde blussen. Als we niet meer danken om wat we hebben gekregen, als dankbaarheid niet de basishouding is hoe we hier binnenkomen dan kan het zo maar zijn dat we God wegduwen in de kerk. Mopperen, klagen en morren zijn subtielere vormen van boosheid. Het verwijdert mensen van elkaar. Het is ten diepste ongehoorzaamheid naar God omdat je je niet wil voegen naar Zijn wil. Mopperen haalt God naar beneden. Want God weet veel beter dan ik wat goed voor me is. Als ik geen oog heb voor het feit dat Hij er allang is. Als ik niet leer danken voor al zijn gaven die ik reeds ontving. Dan blus ik Zijn Geest uit.
Dat geldt voor mij en jou net zo. Als je alleen maar kritiek krijgt dan dooft je licht. Dan zie je het niet meer zitten. Dan wordt je moe. Dan durf je op een gegeven moment niet meer jezelf te geven. Dat is wat Paulus ook bedoelt met de verzen 12 en 13. Door je leiders lief te hebben en ook te benoemen wat er goed gaat vuur je hen aan. Als die waardering wegblijft dooft het licht hen in de ogen. Gods liefde is niet wezenlijk anders. Wel is Gods liefde zo groot dat Hij steeds opnieuw begint, terwijl er niemand meer reden heeft dan Hij om verbitterd te zijn om zijn mopperende mensenkinderen.
De Geest blus je uit door geen oog te hebben voor wat Hij al gegeven heeft, en Hem niet te betrekken in alles waar je je zorgen over kan maken. Hem blus je uit als je niet met geloofsogen kan kijken naar de gemeente. De Geest blus je uit als je niet meer met de ogen van Pasen kan kijken naar de kerk. De ogen van Pasen belichten zowel het zondige van de mensen, als de liefde van God die de zondaars liefheeft. De kerk waar de Geest leeft is de kerk waar we in Jezus Naam met elkaar willen omgaan. Zondig als we zijn, laten we de onderlinge liefde niet gaan. Hoe groot verwijdering ook kan groeien, we laten de trouw er niet onder lijden.
Blus de Geest niet uit is dus de boodschap van Paulus. Soms ben je wel uitgeblust, net als ik. Soms ben je moe. Soms is de opeenstapeling van teleurstellingen, van gegroeid wantrouwen en ontheemd zijn – want de tijden veranderen zo verschrikkelijk snel – soms is die opeenstapeling zo groot dat je bijna niet meer kunt danken om de kerk of om de wereld, of om je leven. Dat doet zeer. Die pijn kan ons heel moe maken en teleurgesteld. Soms zie je het niet meer zitten en zou je het liefst alles achter je laten.
Ik hoop en bid dan, dat uw handen dan wel gevouwen zijn. De Geest lost voor ons niet alle problemen op. Het is ook niet zo dat hij van de een op de andere dag de gemeente verandert dat we nooit meer conflicten hebben. Maar wie God meer en meer leert danken voor wat Hij wel geeft, die durft ook groot te verwachten. De Geest wordt aangevuurd door harten die zijn werk zien. De Geest kan weer tot leven brengen wat hier verdort. En het allermooiste is: de Geest is de beloofde Helper aan de Kerk. Hij blies eens adem in je longen. Dan kan hij ook een verdorde westerse kerk vol drukke en haastige mensen nieuwe leven geven. Leven dat kan genieten van het kleine, van wat God al wel gegeven heeft. Mensen die vol vreugde zijn en niet hoeven te rennen en te vliegen en niet te leven.
Jezus heeft ons samengevoegd vandaag. Laat daarom het vuur van Gods liefde branden door oog te hebben voor wat Hij al heeft gegeven, en door meer en meer alles van Hem te verwachten.
Daarom deze vragen:
1. Waar mogen we als gemeente samen voor danken?
2. Waar mogen we als gemeente samen voor bidden?
Related Media
Related Sermons