Faithlife Sermons

Naamloos Sermon

Sermon  •  Submitted
0 ratings
· 1 view
Notes & Transcripts

In dienst genomen

De dienst vanmorgen heeft een bijzonder karakter. Vier mannen geven straks hun jawoord op de vraag of ze God in het ambt willen dienen. Twee van hebben hebben reeds eerder in het ambt gediend, voor twee andere is dat niet het geval. Zij spreken voor het eerst hun jawoord uit. Vijf mannen geven aan opnieuw een termijn ambtsdrager te willen zijn, terwijl we ook van drie broeders afscheid nemen.
Je jawoord geven — voor het eerst of opnieuw — is heel bijzonder. Je hebt in de verkiezing door de stem van God gehoord. Hij kwam tot je en legde Zijn hand op je schouder met deze woorden: Ik wil dat je Mij in het ambt zult dienen en dat je op die manier bijdraagt aan het zorg voor Mijn kerk en het uitbreiden van Mijn Koninkrijk. Je hebt die roeping intens ervaren en je werd ervoor ingewonnen je jawoord te geven.
De broeders die herverkozen werden, hebben ook een roeping ervaren. De roeping die zijn vier of acht jaar geleden ervoeren, was nog niet voorbij. Daarom gaven ze — soms met aarzeling! — aan opnieuw een periode te willen dienen.
In beide gevallen gaat het dus om een roeping. Je voelt dat God je tot deze taak roept. Je ervaart Zijn stem die in de roeping van de gemeente tot je komt.
De taak die God geeft heeft — zoals gezegd — te maken met Zijn gemeente. Het gaat erom dat je mee mag werken dat meer jongeren en ouderen de Heere zullen dienen en dat mensen die de Heere al dienen Hem meer zullen dienen. Je mag een instrument zijn om Zijn zegen te verspreiden, zodat anderen op hun beurt weer tot zegen zullen zijn. Er zit verschil in de ambten waartoe God roept — de taak van een ouderling is anders dan die van een diaken of een ouderling-kerkrentmeester, maar allen hebben een taak in Gods koninkrijk! We zijn ten diepste allemaal dienaren van de Heere Jezus.
Dienstbaar zijn, Christus en Zijn gemeente dienen, God dienen, - dat zijn kernwoorden als het gaat om het ambt. Dat is de taak waarvoor God roept. Er zit verschil in de ambten waartoe God roept — de taak van een ouderling is anders dan die van een diaken of een ouderling-kerkrentmeester, maar allen hebben een taak in Gods koninkrijk! We zijn ten diepste allemaal dienaren van de Heere Jezus.
In het tekstgedeelte van vanmorgen komt de roeping tot een taak in Gods koninkrijk ook naar voren. Na de bijzondere visvangst en bijzondere reactie daarop van Petrus, zegt Jezus tegen hem: ‘Wees niet bevreesd, van nu aan zult u mensen vangen’. Met deze woorden geeft de Heere Jezus geeft zijn discipelen een heel bijzondere taak in Zijn Koninkrijk. Vanmorgen wil ik erover nadenken hoe deze taak ook ons geldt: als ambtsdragers en als gemeente en ik wil nadenken over een paar bijzonderheden waarmee deze roeping gepaard gaat.

Met Jezus meewerken

Het gedeelte van waarin de roeping van de discipelen naar voren komt, is een bijzonder stukje.
Je kunt bijvoorbeeld de vraag stellen hoe dit stukje zich verhoudt tot de roeping van de discipelen die we in andere evangeliën lezen. Ik denk bijvoorbeeld aan wat we lezen in Marc. 1:16-17
Ik denk bijvoorbeeld aan wat we lezen in Marc. 1:16-17
Marcus 1:16–17 HSV
En toen Hij bij de zee van Galilea wandelde, zag Hij Simon en Andreas, zijn broer, het net in de zee werpen, want zij waren vissers. En Jezus zei tegen hen: Kom achter Mij, en Ik zal maken dat u vissers van mensen wordt.
Mc. 1:16-17
Wat we daar lezen lijkt op onze geschiedenis. Het gaat daar ook over de Zee van Galilea. Ook daar wordt verteld hoe Jezus roept en discipelen alles achter laten. Maar toch lijkt het niet te gaan over dezelfde geschiedenis. Daarvoor verschillen de verhalen onderling teveel. Onze geschiedenis kent bijzonderheden die bij Marcus helemaal niet genoemd worden.
Maar toch lijkt het niet te gaan over dezelfde geschiedenis. Daarvoor verschillen de verhalen onderling teveel.
Misschien zou je het zo kunnen zeggen: de roeping van de discipelen voltrekt zich in fasen. Eerst ontmoeten ze Jezus bij Johannes de Doper. Ze leren Hem steeds beter kennen. Ze laten hun werk in de steek en volgen Jezus. En tenslotte worden ze fulltime in Zijn dienst genomen.
Ze leren gaandeweg de Heere Jezus steeds meer kennen en worden meer en meer aan Hem verbonden en in zijn werk betrokken! Er zit groei in hun discipelschap. Mooi als als dat bij ons ook zo is. Je leert alles meestal niet op één dag. Bijzonder als je mag werken dat de Heere je steeds meer naar Hem toetrekt!
De geschiedenis van vanmorgen is dus een beslissende stap in een nog meer omvattend discipelschap. Ze worden steeds meer door Jezus in Zijn eigen werk ingeschakeld.
Dat laatste blijkt duidelijk als je het begin van de geschiedenis leest. Er wordt een prachtig tafereel getekend. De Heere Jezus geeft aan de schare onderwijs. Hij staat bij het Meer van Galilea. Er zijn ontzettend veel mensen op de been. Allemaal willen ze Jezus van Nazareth wel horen. Ze hebben gehoord dat Hij wonderen doet. En Hij kan ook zo mooi vertellen. Zoals Hij over God vertelt, kan geen mens het. Hij heeft het over God als Zijn eigen Vader. De mensen verdringen zich om Jezus.
Op een gegeven moment wordt de aandrang zo groot, dat Jezus Zich genoodzaakt ziet om uit te wijken. De schare botsen tegen Hem op. Daarom besluit Hij zijn preek voort te zetten vanaf een schip. Er liggen twee schepen aan de oever. De vissers zijn op dat moment bezig om de netten schoot te maken (te ontdoen van allemaal rommel die er tijdens het vissen in gekomen is). Jezus vraagt de baas van één van die schepen — Simon Petrus — om een stukje met dit bootje van het land af te varen. Jezus zelf zal in het bootje plaatsnemen. Als ze dan een stukje gevaren hebben, zal Jezus zittend in het scheepje de schare toespreken. De schare kan hem dan niet meer duwen. Iedereen kan gemakkelijker luisteren, omdat Jezus’ stem over het water makkelijker te horen is. Het meer is als het ware een mooie klankbodem geworden. Misschien heb je in de vakantie ook wel eens ervaren toen je op een bootje zat, dat je stem over het water veel beter te horen is!
Misschien heb je in de vakantie ook wel eens ervaren toen je op een bootje zat, dat je stem over het water veel beter te horen is!
Wat een prachtig gezicht. Jezus spreekt de schare toe. Ademloos luisteren ze. Wat mooi dat mensen zo intens naar de Heere Jezus luisteren. Zo is het in onze tijd meestal niet. Aan de andere kant: soms kun je het als ambtsdrager — en ook als niet-ambtsdrager — dat mensen geraakt worden door het Woord. Dat gebeurt ook in onze tijd, bij ouderen en jongeren.
Ik wijs u even op één ding dat in deze geschiedenis heel belangrijk is. Ik lees dat mensen op Jezus aandrongen ‘om het Woord van God’ te horen. Het woord van God, dat betekent hier: de boodschap die bij God vandaag komt, die zijn oorsprong bij de HEERE zelf heeft! De schare luistert naar het evangelie: Gods boodschap voor deze wereld!
Daarmee wordt een verbinding gelegd met onze tijd. Want in onze tijd mag ‘het woord van God’ nog klinken. Dat is trouwens het geheim van de kerk. Ze heeft een woord. Een woord voor de wereld. Een woord dat ze van God Zelf ontvangen heeft! Een booschap van heil, redding, zaligheid, verlossing en vrede. Een boodschap die God Zelf bedacht heeft.
U hoeft, broeders, niet met u eigen Woord op pad. We mogen komen met het Woord van God. Het woord dat doet wat Hem behaagt en voorspoedig is tot het doel, waartoe Hij het zendt.
Het mooi
Er wordt een verbinding gelegd tussen de discipelen en de Heere Jezus. Zoals Hij met Gods boodschap kwam, mogen zij het ook doen. En zo mogen wij het ook doen. We worden ingeschakeld in Christus’ werk! Als gezanten van Hem

Opdracht om te vissen

Op een gegeven moment is Jezus’ klaar met Zijn verkondiging. Dan spreekt Hij Petrus aan. Petrus is de baas van het schip en heeft ook de leiding. Jezus vertelt Petrus dat hij dieper het meer op moet gaan. Daar moet hij zijn netten uitwerpen.
Petrus heeft vragen bij het voorstel. Ten eerste is het nu midden op de dag. Als je vissen wilt vangen, moet je in de nacht zijn. Dan komen ze meer naar de oppervlakte. ‘s Middags zwemmen ze echter veel te diep. Het is zinloos om dan je netten uit te werpen.
Petrus heeft echter nog een bezwaar. Als geoefende en ervaren vissers zijn ze de hele dag al in de weer geweest om vissen te vangen. Maar hoe ze ook hun best deden, de vissen wilden niet in het net zwemmen. ze hebben niets gevangen! De hele nacht zijn ze druk geweest en hebben niets bereikt. Zou het dan nu wel lukken.
Toch heeft Petrus veel vertrouwen in de Heere Jezus. Want meteen zet hij zijn (gegronde!) bezwaren aan de kant. Als Jezus het zegt, zal hij het net zeker uitwerpen. Als zegt zijn vissersverstand dat het zinloos is, Jezus’ bevel, Jezus’ opdracht gaat ver boven zijn gedachten en ideeën uit.
Hij onderwerpt zich aan Gods bevel.
Broeders, ik weet niet hoe het u vergaat als u hierover nadenkt, maar mij beschaamt het. Wat had Petrus een vertrouwen in de Heere Jezus. Heere, volgens mijn berekening kan het allemaal niet, maar ik onderwerp me aan Uw plan.
Wat een nederigheid van Petrus. Wat een geloof. Wat een vertrouwen in de Heere Jezus. Laat Petrus voor ons een voorbeeld zijn. We hebben soms zo onze eigen ideeën. Maar Gods ideeën gaan daar ver bovenuit! Wij mogen onze bedenken opperen, maar we moeten altijd beseffen dat God een God van wonderen is! Gods wegen zijn hoger dan die van ons!
Het is goed om de in kerk realistisch te zijn. Maar het is ook belangrijk — nog belangrijker — om veel van God en Zijn Woord te verwachten. God is groter dan onze kennis en de omstandigheden.

Het wonder en Petrus reactie

Petrus gehoorzaamt. Het net gaat overboord. En dat geschiedt er iets bijzonders. Als het het net weer optrekken, voelen ze dat het boordevol vis zit. Het zijn er zelfs zoveel dat het net begin te scheuren.
De vissers voelen dat ze alleen de situatie niet de baas kunnen. Ze wenken naar het andere schip — het tweede — dat met hen was uitgevaren om hen te komen helpen. Als het andere schip arriveert — over dat tweede scheepje was in het begin al gesproken, het behoorde waarschijnlijk aan Jakobus en Johannes toe — zien ze gezamenlijk kan om de hele lading vis in de beide boten te laten. Het is zoveel dat allebei de boten bijna zinken.
Het wonder is onvoorstelbaar groot. Petrus’ vertrouwen in de Heere Jezus is niet beschaamd geworden. De Heere Jezus heeft zijn vertrouwen ten volle waar gemaakt.
En toch… Petrus is alleen blij. Er komt een gevoel van diep ontzag bij Hem boven. Ontzetting. Hoe groot is deze Jezus! Hij is machtig om precies te weten waar de vissen zwemmen, zodat hij op het juiste moment het net uit kan gooien. Hij is ook zo sterk en machtig, dat Hij de vissen precies in het net kan laten zwemmen.
God is zo groot. Zo onvoorstelbaar machtig en wijs. Er komt een diep gevoel van Gods heiligheid over Petrus. God is zo anders dan Hij zelf. God is zo onvoorstelbaar ver verheven boven Hem.
Het is vooral Gods heiligheid die Petrus aangrijpt. God zo groot en heilig. Hij zo klein en onheilig.
Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens.
Heere (Meester!) het kan eigenlijk niet dat ik uw dienaar ben en blijf. U en ik passen niet bij elkaar. We moesten maar uit elkaar gaan. U bent te groot voor mij!
Deze uitspraak van Petrus moeten we niet verkeerd opvatten. Het is niet zo dat Petrus zegt: Heere, eigenlijk wil ik niet met U verder. Daar is namelijk helemaal geen sprake van. Zijn probleem is: kunnen wij wel samen verder. U bent zo verheven! Ik ben een zondig mens.
Is Petrus zo bijzonder zondig. Eigenlijk valt dat wel mee. Hij geloofde oprecht in de Heere Jezus. Hij zette zijn eigen gedachten voor die van Jezus’ opzij. Dat was goed! Hij was ook niet een slecht mens.
Hier is iets anders aan de hand. Petrus was geen speciale zondaar, maar vergeleken bij God is Hij zo klein en zondig.
Echte zondekennis, wat is dat? Is het dan je je zelf eindeloos naar beneden praat. Nee! Is het dat je als met een vergrootglas speur naar wat je allemaal verkeerd deed? Nee! Wat is het wel? Het besef dat God zo heilig en groot is, en dat je vergeleken daarbij maar een klein en zondig mens bent.
Je vergelijkt je niet met anderen maar met God zelf!
Het is opmerkelijk dat bij de roeping van veel profeten in het Oude Testament Gods heerlijkheid onderstreept wordt.
Ezechiël ziet Gods glorie.
Mozes is bij de brandende braambos maar een heel klein mens.
Ik denk aan Jesaja
Jesaja 6:1–6 HSV
In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn gewaad vulden de tempel. Serafs stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels: met twee bedekte ieder zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. De een riep tot de ander: Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten; heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid! De deurpinnen in de drempels schudden door de stem van hem die riep, en het huis vulde zich met rook. Toen zei ik: Wee mij, want ik verga! Ik ben immers een man met onreine lippen en woon te midden van een volk met onreine lippen. Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien. Maar een van de serafs vloog naar mij toe, en hij had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met een tang van het altaar had genomen.
Waarom zouden deze mensen zo onder de indruk zijn van Gods heerlijkheid en eigen kleinheid en zwakheid?
Zou het niet zijn, om hen te leren wie ze eigenlijk dienen. Wij kijken zo gemakkelijk mensen naar de ogen. Wij letten zo gemakkelijk op wat mensen van ons vragen? Wij laten onze oren zo gemakkelijk hangen naar wat mensen willen. Maar als dienaren van Christus moeten we ons vooral richten op wat Hij van ons vraagt.
Het besef van Gods grootheid moet ons ook brengen tot de rechte nederigheid. God is zo groot. Paulus besefte dat ook. Daarom zegt hij: Omdat wij weten hoe ontzagwekkend God is, bewegen wij de mensen tot het geloof!
Het besef van wie wij zijn is zo belangrijk! Laten we maar niet hoog van de toren blazen. Laten we vooral maar niet denken dat God toch wel heel blij met ons moet zijn, omdat wij zo trouw zijn! De houding van Petrus is veel gepaster. Heere, als ik zie wie ik ben: kan het dan eigenlijk wel?
Heere, als ik zie wie ik ben: kan het dan eigenlijk wel?
Laten we trouwens niet vergeten dat Petrus niet onder de indruk komt van zijn eigen kleinheid en Gods grootheid door een heel scherpe wetsprediking. Het is vooral de goedheid van God die Hem klein maakt.
Wij denken nog wel eens dat vooral een scherpe prediking mensen klein maakt. Dat kan! Op de Pinksterdag gebeurde dat ook. Maar het is vooral ook Gods goedheid die een mens het onderscheid met hem laat zien. Gods onvoorstelbare macht in de natuur, Zijn goedheid om zoveel vissen te geven… God is zo groot!
Paulus zegt ergens: het zijn de goedertierenheden van de Heere die tot bekering brengen. Als je ziet hoe God voor je zorgt, zou je dan niet klein voor Hem worden?
Heere ga uit!
Maar Jezus denkt er niet aan. Gelukkig, want feitelijk wilde Simon Petrus dat ook helemaal niet.
Juist zulke mensen heeft God nodig en kan hij gebruiken. Mensen die hoog van Hem denken en klein van zichzelf. Geen mannetjesputters, maar ootmoedige mensen!
Jezus zegt tegen Petrus: wees niet bevreesd van nu aan zult u mensen vangen. Juist deze Petrus wordt in dienst genomen.
Zo kan God mensen gebruiken. Petrus was al eerder met Jezus in aanraking geweest. Hij was al een discipelen. Maar nu wordt Hij volledig door God in dienst genomen.
Petrus wees niet bang!
Zo horen we bij elkaar. Een grote God en een klein mens.
Jesaja 57:15 HSV
Want zo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoge hemel en in het heilige, en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om levend te maken de geest van de nederigen, en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.
Jw
Ze horen bij elkaar: een grote God en een klein mens.
Later zal blijken: een grote Zaligmaker en een zondig mens. Dat zal zichtbaar worden in het kruis op Golgotha.
Wees niet bevreesd, van nu aan zult u mensen vangen.
Petrus moet het leren hoe klein en zondig hij was tegenover de heilige God. Maar hij moest het ook leren hoe machtig en groot God was. God kon met één wenk vissen in het net laten zwemmen.
Straks zou Petrus mensenvisser worden. Hij krijgt hier een les in afhankelijkheid en vertrouwen. God die riep, zou ook helpen. Dat hele vissen is niet zijn eigen werk. God zou hem daarbij helpen.
Hij mocht in afhankelijkheid Zijn weg gaan.
Later zou hij die les nog eens krijgen bij het zelfde meer. Na de opstanding. Toen vingen ze ook zoveel, nadat Jezus gezegd had het net aan de andere kant uit te werpen.
Toen zou Jezus ook aan hem vragen of hij Hem liefhad.
Niet alleen Petrus moest die les leren. Jezus spreekt Petrus in het bijzonder aan. Maar ook voor de andere was het bestemd.
Luc 5:
Lucas 5:9–10 HSV
Want grote verbazing had hem en allen die met hem waren, bevangen, over de vangst van de vissen, die zij gedaan hadden; en evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die metgezellen van Simon waren. En Jezus zei tegen Simon: Wees niet bevreesd, van nu aan zult u mensen vangen.
Mensen vangen.
Vissen vang je om te verkopen of op te eten, tenminste als professionele visser.
Mensen vang je om te leven.
Het kan zijn dat het Griekse woord daarop wijst.

Het werkwoord zōgreō (lett. ‘levend vangen’, 2Tim.2:26) betekent ‘vangen en in leven laten’ (Num. 31:15,18; Deut.20:16; Joz.2:13; 6:25; 9:20; 2Sam.8:2; 2Kron.25:12). Het woord is daarom dan ook bijzonder geschikt om Petrus’ nieuwe roeping als verkondiger van het Evangelie te omschrijven, waardoor mensen uit hun zondige toestand gered worden en het eeuwige leven ontvangen.

Vangen ten leven!
Zo worden mensen ingeschakeld in het grote werk van Gods verlossing. Daar begonnen we meet Jezus spreekt het woord van Gods. Het woord dat van God afkomstig was. Het woord van redding en verlossing.
De discipelen mogen — vissend achter Jezus aan - mensen vangen. Inwinning voor God en Zijn Rijk. Dat kunnen ze niet zelf. Maar God wil hen daarvoor gebruiken.
Zo gaan ze op pad
Zo gaan ze op weg
Luc
Lucas 5:11 HSV
En nadat zij de schepen aan land gebracht hadden, lieten zij alles achter en volgden Hem.
Met Hem gaat het!
AMEN
Related Media
Related Sermons